Voordat ik de basis ga uitleggen van het begrijpen van een weerkaart zal ik eerst uitleggen wat met luchtdruk wordt bedoeld en hoe wind ontstaat. Luchtdruk is niets anders dan een kolom lucht dat druk uitoefent op het aardoppervlak. Deze lucht wordt ook wel de atmosfeer genoemd en is ongeveer 100 km dik. Deze laag met lucht drukt op de aarde, op elke vierkante centimeter drukt 1 kilo lucht. Als je hoger komt dan is de luchtdruk lager. Dat is logisch, het kolom lucht is minder dik, waardoor het gewicht afneemt.
In de weerberichten wordt de luchtdruk opgegeven in hectopascal, afgekort hPa. Vroeger gebruikte m`n millibar, afgekort mb. In menig huiskamer of hal zal deze aanduiding nog zichtbaar zijn. De meeste barometers hebben aanduidingen als "mooi", "bestendig", "veranderlijk", "regen" en "storm". Als de luchtdruk hoger is dan 1015 hPa spreek je van hoge druk en is de luchtdruk lager dan 1015 hPa dan is het lage druk. De luchtdruk varieert van plaats tot plaats en ligt aan het aardoppervlak meestal tussen 940 en 1060 hPa. In de kern van tropische stormen, zoals orkanen kan de luchtdruk dalen tot zelfs onder de 900 hPa.
Het weer kan echter heel anders uitpakken dan de barometer aanwijst. Een hoge luchtdruk van bijvoorbeeld 1030 hPa betekent niet altijd zonnig en droog weer. Bij zo`n hoge barometerstand kan het ook nog bewolkt zijn en zelfs nog tot buien komen. De positie van het hogedrukgebied ten opzichte van ons land is dan ook erg belangrijk. We hebben immers ook nog te maken met de Noordzee. Meestal blijft de neerslag bij een hoge luchtdruk beperkt tot hooguit enkele millimeters. Omgekeerd hoeft een lage barometerstand niet altijd slecht weer te betekenen.
Lucht die in beweging komt noemen we wind, maar hoe komt deze lucht in beweging? Omdat de aarde bolvormig is wordt deze sterker verwarmd boven de evenaar dan op de polen. De lucht boven de evenaar wordt verwarmd (lage luchtdruk) en stijgt op richting de Noordpool. Boven de Noordpool koelt de lucht af (hoge luchtdruk) waarna het vervolgens daalt en langs de aarde weer terug stroomt naar de evenaar. De plaats van de opgestegen warme lucht wordt dus ingenomen door koelere dalende lucht. Deze stroom van lucht voelen wij als wind. Windsnelheden zijn het laagste in de onderste 1000 meter van de atmosfeer, waar de wind wordt afgeremd door het aardoppervlak.
 Figuur 1
|
De noord zuid stroom van lucht wordt op verschillende manieren verstoord. Dit heeft o.a. te maken met de draaiing van de aarde. Als de lucht boven de Noordpool weer richting de evenaar stroomt dan draait de aarde natuurlijk gewoon door. Hierdoor maakt de lucht geen rechte lijn naar beneden, maar buigt op het noordelijk halfrond naar rechts. De kracht die dit veroorzaakt wordt corioliskracht genoemd (figuur1) en is het sterkst aan de polen en neemt af naarmate de evenaar dichterbij komt. Ook de ruwheid van het aardoppervlak zorgt ervoor dat winden zich niet in een rechte lijn kunnen verplaatsen. Vandaar ook dat de wind uit verschillende richtingen kan komen. Het effect van de draaiing van de aarde is dat op het noordelijk halfrond de wind rond een lagedrukgebied zich tegen de wijzers van de klok in verplaatst en rond een hogedrukgebied met de wijzers van de klok mee.
De weerkaarten zoals ze te zien zijn op onze website dienen als basis voor het maken van een weersverwachting. Op deze kaarten zien we de ligging van de hoge- en lagedrukgebieden op zeeniveau. Fronten zijn op deze kaarten niet te zien. Over de hele wereld worden waarnemingen gedaan waaronder ook de luchtdruk. Al deze gegevens worden verzameld en in kaart gebracht. Als we de waarnemingen met de zelfde luchtdruk met elkaar verbinden dan ontstaan er lijnen op de weerkaart die ook wel lijnen van gelijke druk worden genoemd of isobaren. In veel landen in de wereld worden de isobaren om de 4 tot 6 hPa getrokken. Vroeger werd zo`n weerkaart nog met de hand getekend, tegenwoordig is het de computer die o.a. de isobaren op de weerkaart zet. Als alle waarnemingen van de luchtdruk met elkaar zijn verbonden ontstaat er een herkenbaar patroon van hoge en lagedrukgebieden. Overigens zijn voor het maken van een goede verwachting natuurlijk meer weerkaarten nodig dan alleen de kaart op grondniveau. Juist de kaarten op grotere hoogte geven meer informatie over o.a. de stroming.
 |
Wat zien we op de weerkaart en wat voor weer zouden we dan globaal kunnen krijgen? Hier een aantal (van de vele) voorbeelden.
De meest voorkomende circulatie boven ons land is de westelijke circulatie. Deze wordt in stand gehouden tussen lagedrukgebieden bij IJsland en hogedrukgebieden boven de Azoren. Tussen deze druksystemen staat dan een westelijke stroming, waardoor storingen met gemak ons land kunnen vinden. Zo`n situatie brengt in de winter de zachtst mogelijke oplossing.
Een hogedrukgebied boven Scandinavië zorgt voor een oostelijke stroming waarmee droge continentale lucht wordt aangevoerd. In de winter betekent dat koud weer met vorst en in de zomer zorgt deze stroming voor de aanvoer van warme lucht. In beide gevallen zal de zon uitbundig tevoorschijn komen.
Tussen een lagedrukgebied boven de Atlantische Oceaan en een hogedrukgebied boven Centraal Europa wordt in de zomer met een zuidelijke stroming vaak warme tot zeer warme lucht aangevoerd. De temperatuur kan dan met gemak oplopen tot 30 graden of hoger. Storingen boven Spanje en Frankrijk kunnen dan na enkele dagen al zorgen voor onweersbuien en afkoeling. Een hogedrukgebied boven Schotland kan bijvoorbeeld in juni zorgen voor een heel vervelend weerbeeld met wolkenvelden en lage temperaturen voor de tijd van het jaar. Soms valt er dan ook motregen uit het wolkendek. Zo`n koude periode in deze tijd van het jaar wordt ook wel de schaapscheerderkou genoemd. Zo`n situatie kan wel ruim een week aanhouden.
Een hogedrukgebied pal boven ons land hoeft niet altijd mooi weer te betekenen. In de winter, wanneer de zon geen kracht meer heeft, kan dit leiden tot somber weer met dagenlang bewolking en/of mist. Zo hoeft een lagedrukgebied in de buurt van ons land ook niet altijd voor slecht weer te zorgen. Het zijn de bijbehorende fronten die ervoor zorgen of we wel of niet meer neerslag te maken krijgen.
Tussen een hogedrukgebied dat zich uitstrekt van IJsland naar de Britse Eilanden en een lagedrukgebied boven Scandinavië zie je een noordwestelijke stroming. In de winter zorgt deze stroming in het binnenland voor hagel of sneeuwbuien. In het voorjaar zijn dat de bekende voorjaarsbuien met regen, -hagel en natte sneeuw. In het voorjaar kan zo`n stroming vaak in herhaling vallen.
Heeft u vragen over het weer of dit bericht dan kunt u deze sturen naar: edaldus@buienradar.nl
Bron: Ed Aldus - Wikepedia - KNMI - Kees Floor