Het stuk van de atmosfeer waar het weer wordt bepaald (de `troposfeer`) is 8 tot 13 km dik, afhankelijk van winter (ca. 8 km) en zomer (ca. 13 km). Het weer bestaat uit temperatuur, wind, en regen. Dat gaat altijd over de situatie aan de grond. Wind op hoogte noemen we "bovenlucht" of "hoogtestroming". Daarmee wordt meestal 3 tot 7 km hoogte bedoeld, of het niveau van de straalstrooom (tussen 8 en 13 km). De hoogtestroming bepaalt voor een deel het weertype en de koers van depressies, maar wordt er op haar beurt ook door beïnvloed. Bijvoorbeeld bij een onweersbui of een ontwikkelend front. Als een front wel of niet uit zichzelf ontwikkelt wordt daardoor ook de straalstroom sneller. In het ideale geval zijn de bovenstroming en de wind gelijk in richting en neemt de wind alleen toe met de hoogte. (zie figuur 1)
 Figuur 1 - westelijke stroming |
Draait de wind weinig met toenemende hoogte, dan blijft het weer meestal nog even hetzelfde. Dat kan goed, maar ook slecht nieuws zijn. Onder een straalstroom is vaak een lang front. Dat kan dan langdurig regen geven. Vooral in het later najaar en de winters komt dat wel eens voor. Depressies worden bij deze situatie simpelweg over de aarde `verplaatst`. Daarbij diepen ze uit en vullen ze soms op, maar daarvoor ontstaan dan weer andere depressies op andere plaatsen. Dit kan stormen voorspellen, maar de verrassende ontwikkelingen worden er niet door niet verklaard.
 Foto 1 - Snelle ontwikkeling van een depressie bij de Wadden |
In die gevallen draait de wind sterk met de hoogte. Fronten activeren onverwacht, regen- en onweerscomplexen ontwikkelen zonder aankondiging, en soms is het ineens zonnig. Bij die onverwachte ontwikkelingen spelen lokale warmte en kou ook een rol. Is het in Europa warm en en komt er een depressie aan, dan kan die oplossen of juist nog versterken, zoals we in het voorjaar wel eens zien. (Foto 1, snelle ontwikkeling van depressie bij de Wadden). Ook tegenstelling koud zeewater/warm land is belangrijk bij onverwachte ontwikkelingen. Denk aan Frankrijk en de Golf van Biscaye. Onweerstoringen kunnen daar makkelijk ontstaan en depressies kunnen een onverwachte koers gaan varen. We hebben het vorige week gemerkt: moeilijke weerkaarten en onverwacht zware buien zoals in Purmerend (75 mm op woensdag 9 juni 2010, bron Jan Visser). Bij deze buien is het meestal zo dat de wind met toenemende hoogte tegen de wijzers van de kolk in draait (krimping met de hoogte).  Foto 2 - Hoosbui op woensdag 9 juni 2010 in Purmerend met maar liefst 75 mm. |
Komt er een depressie aan die snel uitdiept, dan draait de hoogstestroming met de wijzers van de klok mee. Dat heet ruiming van de wind met de hoogte (Zie figuur 2). Dit gebeurt vooral bij een sterke straalstroom (meer dan 100 km per uur). Is de hoogtestroming niet zo sterk en niet anders in richting, dan zullen depressies niet zo snel ontwikkelen. Of er wel of geen stormdepressie komt hangt trouwens ook van andere factoren af, zoals de luchtvochtigheid in die hoogtestroming. Die is op de oceaan meestal niet zo goed bekend en dat verklaart voor een deel de onvoorspelbaarheid van stormen. Andersom hoeft een sterke straalstroom niet direct onweer of storm te geven. Het hangt af van de temperatuur en de vochtigheid in de hele atmosfeer af of er gekke dingen gebeuren. En soms van simpel toeval! Hoewel we dat niet altijd toe willen geven.
 Figuur 2 |
Bron: Jules Geirnaerdt Meteo, KNMI, www.janvissersweer.nl Heeft u vragen over het weer of dit bericht dan kunt u deze sturen naar: edaldus@buienradar.nl